|
Zijn
we niet op een bepaald moment met zijn allen begonnen om met ingehouden adem te
leven? Zijn we niet een beetje bang geworden voor het plotselinge en het
onverwachte?
Om
onszelf en elkaar niet voor de voeten te lopen, richten we de tijd en onze
levens in volgens vaste patronen. We noemen dat cultuur. Zo hoeven we geen
verrassingen meer te verwachten. Iedere dag heeft een vast ritme met zijn eigen
rituelen en betekenissen. Het leven wordt sloom en traag als een onbestemd
wachten, maar het brengt een gevoel van veiligheid. We hoeven niet meer voor
onszelf te denken. We veranderen als gecastreerde leeuwen in een hok die
wachten op de voedertijd en vergeten dat we ooit in staat waren om meer dan 80 km per uur te rennen en
met wat simpele kracht op de kaken een gazellenek te breken. Geen uitersten
meer maar geborgen stilzwijgen over dat wat ons angstig maakt.
Twijfel,
het zich niet helemaal gerust voelen in een nieuwe realiteit. Werden we bang
van ons eigen kunnen of van onze eigen wil? Dat we aan iets beginnen dat we
niet af kunnen maken en we dan verder deinen als een stuurloze boot op de
golven onderweg naar nergens?
Gezichten
vol fijne rimpeltjes, als oude schilderijen met ogen die vliegensvlug monsteren
van top tot teen, die blankheid inschatten. Wat deze gezichten hebben gezien,
hebben beleefd, waar zij toe in staat geweest zijn. Als ik me daarvan een
voorstelling probeer te maken, lijkt het alsof mijn hersenen barsten. Nog
steeds kunnen deze monden lachen, kan ik niet anders dan de kracht bewonderen
in de uigestrekte open armen. Ik sta perplex.
Ik
benijd hen om hun onwankelbare liefde, zo solide als een kluis. Hun geloof en
vertrouwen zitten in de toekomst van de kinderen, daaraan offeren ze
onvoorwaardelijk hun eigen dagelijkse leven op. Ze zien een oplossing in mijn
kennis, ze vestigen er hoop op.
Volwassenen
uit op avontuur en macht en bezit, die alleen aan zichzelf hebben gedacht, die
anderen hebben opgezadeld met de consequenties van hun onbezonnen daden, er is
geen keuze dan je er nu op te verlaten, net zoals zij dat vroeger hadden gedaan
als kinderen van hun ouders en zij daarvoor en die daarvoor, helemaal tot aan
het begin van de door hen gekende geschiedenis. Een oneindige keten van mensen
die maar in goed vertrouwen moeten afwachten wat er boven hun hoofden en achter
hun ruggen bedisseld, beschikt en geblunderd wordt. Mensen die stuk voor stuk
afhankelijk zijn van mensen die vergeten zijn wat het is om van anderen
afhankelijk te zijn.
Ik
ben ondertussen overgeleverd aan woorden. Onverstaanbare woorden die ik moet
leren. Gekende, bestudeerde woorden die ik moet overdragen en vertrouwde
woorden om mee te vertellen. Men zegt dat overal woorden voor zijn. De
onbestaande woorden dienen we zelf te gieten in een mal van de wil tot vertellen,
tot beschrijven. Maar met de beste wil van de wereld vind ik even die woorden
niet. Er zijn teveel indrukken die teveel op voorstellingsvermogen en emoties
drukken. Er is teveel werk op teveel fronten. En in de macht van het vertrouwen
dat ik van hen kreeg om te helpen veranderen voel ik dezelfde onmacht en
afhankelijkheid.
Wanneer
laten we die ingehouden adem eens los?
H.
|